Voor legbatterijen en melkmachines, voor het regenwoud werd afgebrand voor de aanleg van duizenden hectares sojaplantages, voor McDo en microgolfmaaltijden, aten mensen gewoon echte voeding. Onze grootouders kochten vlees van een lokale boerderij waar dieren gewoon op de wei stonden en ze hadden eieren van hun eigen scharrelkip. „Bio“groenten bestonden niet want bio was gewoon wat groenten waren.

Vandaag komt onze voeding uit een fabriek. In een poging om meer mensen te voeden op een gemakkelijkere en meer productieve manier, is voedsel een product geworden dat nauwelijks nog op haar oorspronkelijke variant lijkt. Het wordt steeds duidelijker dat de industrialisatie van onze voeding een reële bedreiging vormt voor de welvaart van onze maatschappij.

De Washington Post publiceerde vorige maand een opvallend artikel dat stelde dat de levensverwachting van de Amerikanen voor het eerst sinds twee decennia – sinds de AIDS crisis – teruggevallen is [1]. Welvaartziektes als overgewicht en hartaandoeningen worden als hoofdoorzaak aangewezen, ziektes die gelinkt worden aan levensstijl en dieet. Overgewicht was tot de jaren ´50 weinig voorkomend, net als kanker en diabetes. De manier waarop onze voeding wordt geproduceerd, lijkt een schadelijke impact te hebben op onze gezondheid.

Maar is dit wel een nieuw gegeven? Was het vroeger echt zo veel beter?

De geschiedenis van de mens is nauw verbonden met het verwerken van voedsel. De grote veranderingen die we als mens ondergingen, gingen gepaard met ontwikkelingen in ons dieet.

Ongeveer 2 miljoen jaar geleden kreeg de mens controle over het vuur en konden we door koken makkelijker voedingsstoffen opnemen. Dit speelde een katalyserende rol in onze fysiologische ontwikkeling als mens.

Gekookt voedsel kan zeker niet als enige factor worden aangewezen, maar speelde ongetwijfeld een zeer belangrijke rol in onze hersengroei en de ontwikkeling van ons cognitief vermogen. Complexe gesproken taal en technologische innovatie maakten ons eerst tot succesvolle jagers en honderdduizenden jaren later vuurden ze de neolithische revolutie aan.

Over waarom we begonnen met het domesticeren van dieren en het aanbouwen van gewassen zijn wetenschappers het niet eens. Theorieën gaan van de impact van verslavende opioïden in graan en melk tot voedselschaarste nadat we grote prehistorische zoogdieren tot uitsterven toe hadden gejaagd. Maar wat duidelijk is, is dat de verandering in ons voedingspatroon opnieuw een grote impact had op onze morfologie en maatschappelijke structuren.

10.000 jaar geleden ontstond ongeveer gelijktijdig in verschillende uithoeken van de wereld een bepaalde vorm van plantencultivatie. Er zijn sporen van de aanplanting van vijgenbomen in de Jordaanvallei die dateren van 11.500 jaar terug. De wilde voorouders van emmer- en eenkorntarwe, gerst en peulvruchten doken eerst op in het Midden-Oosten. Granen werden reeds 9000 jaar geleden in Syrië aangebouwd. De oorsprong van rijst en gierst dateert uit dezelfde periode in China. In Centraal-Amerika werden de eerste maisachtige planten omstreeks 7000 v.C. verbouwd. Mais verspreidde zich dan omstreeks 3000 v.C. over Noord-Amerika. In Europa begon men omstreeks 7000 v.C. met de aanbouw van rogge.

Hoe de landbouw ons ongezonder maakte

De geschiedenis van de mensheid wordt ons steeds vanuit een progressistische invalshoek verteld. De ontwikkeling sinds de neolithische revolutie wordt voorgesteld als een standvastige lijn van vooruitgang, die ook vandaag nog doorgaat. Maar archeologisch bewijs onderbouwt deze visie eigenlijk niet. Integendeel. De Dawn of Agriculture – de bakermat van onze moderne samenleving – was zoals elke evolutionaire ontwikkeling een “trade-off”. Agricultuur schiep op termijn de voorwaarden voor de ontwikkeling van hoog ontwikkelde samenlevingen, maar de mensheid betaalde hier een zware prijs voor.  

De neolithische nederzettingen waren overbevolkt, en bevonden zich vaak in de nabijheid van stilstaand of weinig bewegend water. Men leefde samen met gedomesticeerde dieren, wat zorgde voor bacteriële en virale infecties, die uitgroeiden tot ware epidemieën. Malaria, dysenterie, en haakworm waren onder neolithische samenlevingen nieuwe en frequent voorkomende ziektes.

De graanproductie zorgde voor een dieet dat voldoende was in calorische waarde maar, vergeleken met het gevarieerde jager-verzamelaar dieet, arm in voedingsstoffen. Moderne jager-verzamelaars voedden zich met tot 75 plantensoorten. De beperkte variatie in aangebouwde zetmeelrijke planten die eigen waren voor de neolithische boeren – tarwe, mais en rijst – verklaart de frequentie waarbij hongersnood agrarische samenlevingen teisterden tot in de 19e eeuw.

De combinatie van een verarmd dieet met hard labeur om akkers te bewerken, had een zware impact op de gezondheid.

Dit is voornamelijk op te maken uit de morfologische veranderingen die de mens gedurende het neolithicum onderging[2]. Neolithische boeren waren gemiddeld 12 tot 16 cm kleiner dan hun pre-agrarische voorganger en hadden beduidend minder spiermassa. Dit zou vooral te wijten zijn aan een gebrek aan aminozuren uit het dieet. Vleesconsumptie viel terug tot een 10 % van de laat-paleolithische consumptie. Vlees en vis werd voornamelijk vervangen door plantaardige eiwitbronnen die allen levensnoodzakelijke aminozuren en vitamines missen. De overdaad aan fytine uit graan belet bovendien de opname van mineralen zoals calcium en ijzer. Aan de hand van laesies op prehistorische botten kan worden vastgesteld dat bloedarmoede door ijzer en vitamine B12 tekort een puur neolithische aandoening was. Defecten in het tandglazuur wijzen op seizoensgebonden groeistop en ondervoeding. Tandbederf, aandoeningen van de ruggenwervel en osteoporose zijn zelfs zo kenmerkend voor de neolithische mens, dat ze als indicator gelden voor forensisch-archeologische datering.

De erbarmelijke condities zorgden voor een dramatische daling in de  levensverwachting, ondanks verbeterde huisvesting en technologische vooruitgang. De analyse van honderden goed bewaarde skeletten van Indiaanse boeren in Illinois en de Ohiorivier omstreeks 1000 n.C. vertelt ons dat de adoptie van maisteelt samengaat met een terugval in de levensverwachting van 26 jaar (bij Noord-Amerikaanse jager-verzamelaars stammen) tot een schamele 19 jaar.

De impact van de neolithische ommezwaai op onze gezondheid was enorm, maar desondanks kende de neolithische mens een bevolkingsgroei die 10 tot 50 maal sterker was dan in het paleolithicum. Dit kwam in de eerste plaats door een sedentaire levensstijl. Het wegvallen van de stress van een nomadisch bestaan schiep de mogelijkheid voor vrouwen om frequenter kinderen te baren. Waar jager-verzamelaars 2 tot 3 jaar tussen bevallingen moesten laten, bestond voor neolithische vrouwen dergelijke beperking niet. Het nageslacht verderzetten was tevens een noodzakelijkheid voor de overleving van de gemeenschap. Onder druk van hoge kindersterfte had men om de zware landarbeid de baas te kunnen zoveel mogelijk jonge werkkrachten nodig.  Ondanks haar verarmde voedingswaarde en frequente misoogsten en hongersnood, zorgde graan ervoor dat grote gemeenschappen gevoed konden worden en na verloop van tijd een overschot konden creëren.

Hoe landbouw de armoedekloof creëerde

De  neolithische samenlevingen groeiden en werden vervolgens geconfronteerd met een modern probleem: de creatie van  rijkdom en haar verdeling. Een economisch surplus had immers verschillende gevolgen. Niet enkel beïnvloedde het de handel – iets wat in het paleolithicum reeds bestond maar in het neolithicum tot ongeziene hoogtes ontwikkelde – het installeerde voor het eerst ook sociale ongelijkheid.

Ongelijke verdeling van rijkdom betekende dat eigendom beschermd moest worden. Grenzen en muren werden opgetrokken, die na verloop van tijd evolueerden in forten en citadellen. Dit gaf de aanleiding voor de ontwikkeling van een nieuwe groep binnen de samenleving – degenen die wet en eigendom fysiek beschermden – soldaten. Legers hadden de functie de rijken te beschermen of om via oorlogvoering meer rijkdom te vergaren.

De ontwikkeling van deze nieuwe complexe samenlevingen creëerde vele problemen – van voedsel- en onderdakvoorziening voor een steeds sneller groeiende bevolking, disputen en conflicten tussen families, tot criminaliteit en bedreiging zowel van binnenin als van buiten de gemeenschappen.

Dit bracht de noodzaak naar voor van een sterke leiding en organisatie voor de overleving van een gemeenschap en de verdediging van de privileges van de rijken. Een politieke klasse ontstond, gespecialiseerd in de taak van beleidsvoering. Deze mensen stonden in voor het doordrukken van wetten en het straffen van degenen die de wetten braken. Deze mensen controleerden de voedselverdeling en hadden onbeperkt toegang tot de voorraden van de gemeenschap.

Vondsten van oud-Griekse archeologische sites tot de Egyptische  en Zuid-Amerikaanse neolithische mummies, bevestigen de uitdrukking van deze sociale ongelijkheid op een opmerkelijke manier. Naast decoratieve rijkdom, luxueuze kleding en juwelen wordt hun privilege uitgedrukt in hun gezondheid. Door hun  mogelijkheid een rijke en gevarieerde voeding te nuttigen, zijn skeletten van de hogere kasten allemaal aanzienlijk minder getroffen door degeneratieve ziektes dan de massa’s boeren en slaven, die zich dienden te voeden via de goedkope productie van graan, mais en rijst. De klassensamenleving werd geboren en haar interne tegenstellingen werden uitgedrukt in voedsel.

Wat nu?

10.000 jaar later domineert de neolithische revolutie ons dagelijks leven nog steeds en is de sociale verdeling die ze teweegbracht sterker dan ooit. Ook vandaag nog kent ze haar uitdrukking in de ongelijke beschikbaarheid van voedsel.

Intussen is de wereldbevolking gegroeid tot 7 miljard. En die voedt zich met graan. Onze planeet heeft meer dan 50.000 bekende eetbare planten. Enkel drie van deze plantensoorten – rijst, mais en tarwe – maken 60% uit van de energie-opname van de wereldbevolking. Een indrukwekkende 45% van de dagelijkse calorie-inname in de hele wereld bestaat uit granen. Men doet ons geloven dat de dominantie van graanproductie een noodzaak is om de groeiende wereldbevolking te kunnen voeden. Toch lijdt volgens de United Nations Food and Agriculture Organization 10% van de wereldbevolking aan ondervoeding. Dit zijn 795 miljoen mensen, waarvan 780 miljoen in ontwikkelingslanden leven.

Ons huidig maatschappelijk systeem is niet langer een verwantschapseconomie zoals in het Neolithicum, een Myceense redistributie-economie of een feodaal systeem van koningen en boeren. Vandaag leven we in een kapitalistische vrije markt-economie gereguleerd door democratisch verkozen regeringen. Desondanks zien we dat de problemen waar de neolithische mens mee geconfronteerd werd, vandaag tot ongeziene proporties zijn ontwikkeld.

De industrialisatie van de landbouw voltrekt zich sinds het begin van de 20e eeuw. Industriële landbouw steunt op mechanisatie en een zwaar gebruik van meststoffen en chemische pesticiden. In de VS wordt het grootste aandeel aan voeding niet langer op een duurzame manier aangebouwd. De Europese landbouw volgt in haar voetsporen. Industriële landbouw steunt zwaar op graanproductie. De ontwikkeling van GGO graangewassen zorgt ervoor dat hyperresistente graansoorten – vooral mais en soja – de meest kostenevenwichtige vorm van voedsel voor mens en dier zijn. 47% van de soja- en 60% van de maisproductie in de VS, wordt aangewend voor veevoerproductie, dit onder stimulatie van een extensieve subsidiering door de regering.

Industriële gewassenproductie komt tot stand door extensieve monoculturen, die de bodem verarmen en de biodiversiteit aantasten. Het verdwijnen van vruchtbare en waterhoudende bovengrond heeft als gevolg dat landbouwgrond in stijgende mate woestijn wordt. Om dit probleem tegen te gaan is irrigatie noodzakelijk, wat in combinatie met pesticiden en chemische meststoffen tot enorme watervervuiling leidt. Bodemerosie geldt vandaag als de grootste bedreiging voor de landbouwproductiviteit. Een rapport uit 2008 [3] stelde dat in de laatste 40 jaar 38% van de landbouwgrond wereldwijd is aangetast door degradatie en onvruchtbaar is geworden. Dat is 15% van alle land op aarde.

Goedkoop graanvoeder maakt de productieprijs van vlees lager. Hierdoor kan vlees goedkoop op de markt gebracht worden terwijl een grote winstmarge garant staat. Ondanks het feit dat wetenschappelijk onderzoek aantoont dat het de voedingskwaliteit van vlees negatief aantast blijft graanvoer de norm. Koeien zijn grazers, met een verteringssysteem dat aangepast is aan gras. Het voederen met graan heeft als gevolg dat de vetzurenbalans in het vlees verandert. Bovendien zorgt graanvoer ervoor dat vee slachtoffer wordt van verschillende ernstige aandoeningen zoals leverabcessen en kankers. Virale epidemieën zoals varkensgriep of BSE zijn door dicht contact bij vee een frequent voorkomend probleem. De hoge zuurtegraad van graanvoer zorgt tevens voor de ontwikkeling van hyperresistente bacteriën zoals E colli of H Somni, waar ook het menselijk maagzuur niet tegen bestand is. Antibiotica wordt preventief reeds toegevoegd aan het veevoeder om ziekteverspreiding onder de veestapel te voorkomen. Dit zorgt via vleesconsumptie vaak voor allergieën en de ontwikkeling van resistente kiemen bij de mens [4]. Het grote gebruik van granen heeft een negatief effect op de gezondheid van de dieren, het ecosysteem en de mens.

Als het effect van onze huidige voedselproductie op klimaat en gezondheid zo duidelijk is, hoe komt het dan dat het systeem in stand wordt gehouden?

Vandaag domineren 6 ondernemingen de globale zaden-, pesticiden- en biotechnologische industrie. De “Big 6” zijn Monsanto, Dow, BASF, Bayer, Syngenta en DuPont. Samen hebben ze nooit geziene controle over de wereldwijde landbouw. Via machtige lobbyorganen bepalen ze handelsovereenkomsten en landbouwbeleid. Zo heeft Monsanto via het patenteren van hybride zaden, graanboeren over de gehele wereld in een ijzeren greep. Sinds de jaren ‘80 van de twintigste eeuw verkrijgt Monsanto controle over boeren in ontwikkelingslanden via licentieovereenkomsten en joint ventures opgelegd door de Wereldbank. In Europa en de VS slaagt haar lobby erin de concurrentiewetgeving zo te verzwakken dat het uitroeien van kleinere landbouwbedrijven ongehinderd kan plaatsvinden. Monsanto’s zadenpatenten verbieden boeren zaden op te slaan en verstikt onafhankelijke boeren via monstrueuze prijsstijgingen voor hybride graan en sojazaden.[5]

Hoewel Monsanto berichtte dat, onder druk van wereldwijde protesten tegen haar GGO zaden politiek, hun netto verdienste in 2016 geslonken is in vergelijking met het jaar ervoor, staat de gigant nog steeds garant voor mega winsten. In 2015 boekte het bedrijf 1.46 miljard $ winst. Pesticiden producent Syngenta boekte 1.33 miljard $ en chemiegigant DuPont sloot het jaar af met 1.93 miljard $.

De lobbymachines van de voedselindustrie werken reeds lang aan hun tactieken om tot dergelijke winstmarges te kunnen komen. Naast politieke controle op handel en landbouw investeert de industrie reeds sinds begin vorige eeuw in haar invloed op wetenschappelijk onderzoek. Zo werd vorig jaar een analyse van interne documenten van de suikerindustrie gepubliceerd door de American Medical Association (AMA). Uit deze documenten bleek dat in 1950 een handelsgroep met de naam The Sugar Reserach Foundation (vandaag simpelweg bekend als the Sugar Association) een bedrag van 6.500$ (vandaag 50.000$ ) werd uitbetaald aan zes Harvard wetenschappers om een onderzoek rond de relatie tussen suiker, vet en hartaandoeningen te publiceren.

De suikerindustrie stond toen onder druk vanuit wetenschappelijke hoek, nadat meerdere onderzoeken suggereerden dat er een verband bestond tussen verfijnde koolhydraten, obesitas en cardiovasculaire aandoeningen. De documenten toonden dat de Sugar Research Foundation de publieke opinie wou beïnvloeden ten voordele van de suikerindustrie.

De wetenschappers publiceerden een artikel in het prestigieuze New England Journal of Medicine. Ze grepen het toen lopende onderzoek naar Ancel Keys´ cholesterol-theorie aan en wezen op verzadigde vetten als oorzaak voor hartaandoeningen. Na deze publicatie stierf het suikerdebat uit en werden vetten als boosdoener aangewezen. De raadgeving een dieet na te streven dat hoog is in koolhydraten en laag in vetten, werd de officiële gezondheidsraadgeving.

Vandaag blijft de mythe omtrent verzadigd vet hardnekkig bestaan, ondanks het feit dat onder druk van talloze klinische studies zowel de World Health Organization, de American Heart Asociation en andere autoriteiten deze al officieel bekritiseerden.

Eén van de in 1965 omgekochte Harvard wetenschappers was Dr. Mark Hegsted, die later de cel Voeding bij de US Department of Agriculture zou gaan leiden. De USDA is het orgaan dat reeds sinds het begin van de 20e eeuw voedingsraadgevingen opstelt.  Het was Dr. Hegsted die in 1977 de voorloper van de huidige voedselpiramide vorm gaf. Bij haar eerste publicatie onder de naam “dietary goals for the United States” werd de aanbevolen consumptie van koolhydraten uit granen op 50-60% van de dagelijkse calorie-inname vastgelegd,  terwijl de consumptie van cholesterol en verzadigde vetten zou moeten worden vermeden.  Suiker daarentegen werd omschreven als “lege calorieën” met een relatief onschuldige link naar tandbederf.

De USDA food pyramid zoals we die vandaag ook in Europa kennen, geeft nog steeds in grote lijnen hetzelfde advies, hoewel ze doorheen de jaren reeds meermaals “herzien” werd, onder druk van wetenschap en consumentenorganisaties. In 2004 berichtte Luise Light [6], een voedingsdeskundige die begin jaren ´80 een research team binnen de USDA leidde, dat ze met de dieetraadgevingen die zij en haar team opstelden in het vaarwater kwamen van de graan- en suikerlobby. Bij publicatie van de “vernieuwde” voedselpiramide kwam Light tot de constatatie dat deze niet in overeenstemming was met de resultaten van haar onderzoek. Zo werd de dagelijkse aanbevolen hoeveelheid fruit en groenten van 5-6 porties naar 2 porties terug gebracht en haar aanbevolen 2-3 porties granen tot 6-11 porties opgedreven.

De voedselpiramide is tot de dag van vandaag een uitdrukking van de stevige band tussen de voedselindustrie en de regeringen. Wetenschappelijk onderzoek mag dan nog zo overtuigend zijn, een effect op het officiële voedingsbeleid heeft het amper. Of zoals Dr Luise Light het omschrijft: “de les die ik leerde in mijn tijd als een USDA voedingsdeskundige is dat voor een regering het voedingsbeleid in de eerste plaats een marketingtool is om bij consumenten de uitgaven voor voeding en de vraag naar winstgevende voedingsproducten te verhogen. Het is een les in economie die weinig te maken heeft met onze gezondheid, maar alles met de garantie dat winst geproduceerd wordt in het belang van de industrie.”

 

De vraag is nu… wat kunnen wij zelf doen om beter te eten – beter voor onze gezondheid, beter voor de mensheid in het algemeen, beter voor de planeet, …? Daar gaan we de komende weken nog dieper op in, maar intussen ben ik erg benieuwd naar jouw mening! 

Bronnen:

Boris Orlando is health coach en fysiotherapeut in opleiding. Hij is de oprichter van SAUVAGE, waarmee hij in 2010 in Berlijn de eerste paleo restaurants ter wereld opende. Hij publiceerde het kookboek “Das paleo prinzip” in 2014.